Bij een oriënterend bodemonderzoek wordt de kwaliteit van de bodem op een bepaalde locatie beoordeeld aan de hand van normen en richtlijnen. Het doel van dit onderzoek is om te bepalen of er sprake is van verontreiniging en of er mogelijk risico’s zijn voor mens, dier of milieu. Hieronder staan de belangrijkste stappen van een oriënterend bodemonderzoek:
- Verzamelen van informatie: er wordt informatie verzameld over de historie van het terrein, zoals welke activiteiten er in het verleden hebben plaatsgevonden, en er wordt gekeken naar beschikbare documenten zoals bouwtekeningen en milieuvergunningen.
- Terreininspectie: er wordt een inspectie uitgevoerd op het terrein, waarbij gekeken wordt naar de bodemopbouw, het grondwaterpeil, mogelijke verontreinigingsbronnen en aanwezige bebouwing.
- Bemonstering: er worden grond- en/of grondwatermonsters genomen op verschillende plaatsen op het terrein. Deze monsters worden vervolgens geanalyseerd in het laboratorium om te bepalen of er sprake is van verontreiniging.
- Rapportage: de resultaten van het onderzoek worden vastgelegd in een rapport, waarin wordt beoordeeld of er sprake is van verontreiniging en of er vervolgonderzoek nodig is.
Als uit het oriënterend bodemonderzoek blijkt dat er sprake is van verontreiniging, kan er een nader bodemonderzoek worden uitgevoerd. Het doel van een nader bodemonderzoek is om de omvang en de aard van de verontreiniging in kaart te brengen en te bepalen of er maatregelen nodig zijn om risico’s voor mens, dier of milieu te beperken.
